De eerste boom viel niet met genoeg lawaai om me te waarschuwen. Er was geen telefoontje, geen bericht, geen enkel teken dat er iets belangrijks was weggehaald. Pas later, toen ik thuiskwam, werd de afwezigheid me duidelijk. Waar ooit een rij hoge bomen had gestaan – jaren geleden geplant door mijn vader – stonden nu zes kale stronken. De ruimte voelde open, onbekend en plotseling verbonden met de nieuwe huizen daarachter, waarvan de ramen nu rechtstreeks uitkeken op wat ooit een privétuin was.
Die bomen waren nooit zomaar decoratie geweest. Ze waren verbonden met herinneringen, met de kindertijd, met het rustige ritme van zomers in hun schaduw. Ze markeerden een grens, niet alleen tussen percelen, maar ook tussen verleden en heden. Hun verwijdering was niet alleen fysiek – het wiste iets persoonlijks uit. De verklaring kwam snel van de nabijgelegen projectontwikkelaar. Het werd een ‘zichtcorridor’ genoemd, een geplande aanpassing om het landschap te verbeteren en de waarde van de woningen te verhogen. Maar staand daar, was de betekenis eenvoudiger. Iets was zonder toestemming weggenomen.